De exit-markt voor private equity: wordt 2026 het jaar waarin PE massaal verkoopt?
Begin 2026 waren er goede redenen om aan te nemen dat er een vloedgolf aan exits door private equity zou komen. Wat is er enkele maanden later nog over van dat optimisme?
“Europese PE-industrie zal in 2026 verder aan momentum winnen”, stelde Roland Berger aan het begin van 2026 in de European Private Equity Outlook 2026. 75 procent van de plusminus 3.500 experts die het adviesbureau had ondervraagd waren het erover eens: er zouden meer deals dan in voorgaande jaren plaatsvinden.
Ook het Nederlandse M&A Platform blaakte van optimisme. In de European Private Equity Monitor 2026 valt te lezen dat 82 procent van de ruim 500 Europese PE-professionals die hebben meegewerkt aan het onderzoek meer of evenveel exits verwacht als in 2025.
‘DPI is the new IRR’.
Een belangrijke drijvende kracht is volgens hen dat veel private equity-bedrijven smachten naar de verkoop van hun portfoliobedrijven. Begrijpelijk. Accountants- en adviesorganisatie PwC meldt in de Global M&A industry trends: 2026 outlook op gezag van dataverzamelaar Pitchbook dat er eind 2025 wereldwijd zelfs ruim 32.500 van dat soort portfoliobedrijven waren die de investeerder maar al te graag zou doorverkopen.
Vaak betreft het bedrijven waar PE tijdens of vlak na de coronacrisis zijn ingestapt. Tijdens en vlak na de coronacrisis ontstond een klimaat dat private equity-huizen als ideaal voor investeringen beschouwden. De lage rente maakte schuldfinanciering uitzonderlijk goedkoop, waardoor partijen bereid waren hoge waarderingen te betalen in de verwachting deze later met fors rendement te verzilveren.
Tegelijk beschikten fondsen over recordhoeveelheden ‘dry powder’ – kapitaal dat ingezet moest worden. Die combinatie dreef de dealactiviteit naar recordhoogten, met 2021 als absolute piek. De markt werd in die periode ook aangejaagd door breed optimisme. Investeerders rekenden op een snelle economische heropleving na de lockdowns.
Als ze hun investeringen niet al hebben verzilverd, dan dringt voor veel van hen de tijd om te desinvesteren. Al hangt het wel mede af van het type fonds en de looptijd die wordt gehanteerd. De druk om te desinvesteren is bij evergreenfondsen beperkt, aangezien de beheerders daarvan activa kunnen aanhouden zonder dat een naderende sluitingsdatum hen tot verkoop dwingt.
Daar komt bij dat evergreen fondsen ‘open-ended’ en semi-liquide zijn: investeerders kunnen op regelmatige basis in- en uitstappen. Toch ontbreekt de exitdruk ook bij deze fondsen niet volledig. Beheerders moeten voldoende liquiditeit genereren om aan periodieke terugkoopverzoeken van investeerders te voldoen – en desinvesteringen kunnen daarom noodzakelijk zijn.
Maar de meerderheid van de fondsen is ‘closed end’, vaak met een looptijd van vijf jaar om te investeren en nog eens vijf jaar om te desinvesteren. Dat soort fondsen voelt vanaf jaar vijf de hete adem van de ‘limited partners’ in de nek, die eindelijk eens geld terug willen zien. En naarmate er meer tijd verstrijkt, hoe heter die adem wordt.

Mark van Ingen, Mentha Capital
“Zij zijn steeds minder onder de indruk van rendementsverwachtingen en willen steeds nadrukkelijker zien dat er ook echt cash op tafel komt”, zoals Mark van Ingen zegt, partner bij investeerder Mentha Capital. Volgens onderzoek van MSCI (Private Capital in Focus: Trends to Watch for 2026) zijn er zelfs al T-Shirts in omloop met de tekst ‘DPI is the new IRR’. Misschien is dat mantra overdreven, maar feit is wel dat distributed to paid-in aan belang wint. En dat fondsen die het niet lukt om een geslaagde exit te maken moeite zullen hebben om nieuw kapitaal op te halen bij LP’s.

Brigitte van der Maarel, Karmijn Kapitaal
Zoals Brigitte van der Maarel, managing partner bij investeerder Karmijn Kapitaal zegt: “Uiteindelijk – en dat klinkt wat plat – zitten we in de handel van bedrijven. We zijn slechts voor een aantal jaren (mede-) aandeelhouder. Je koopt en wilt waarde toevoegen en uiteindelijk voor meer waarde verkopen – niet alleen op het financiële vlak. En de druk om de juiste waarde te creëren en goed te verkopen, ook in het licht van een volgende fundraising, blijft altijd bestaan.”
Gematigd optimisme
De investeringsmaatschappijen willen wel. Maar of het ze ook daadwerkelijk lukt om hun LP’s tevreden te stellen, is uiteraard niet alleen afhankelijk van hun aandrang om te verkopen, maar ook van de vraag naar de bedrijven die ze zo graag kwijt willen – zonder kopers geen verkopers, tenslotte.
De gesprekspartners die aan dit artikel meewerken en medio maart zijn geïnterviewd, zijn in aanleg gematigd optimistisch. De omstandigheden voor verkopers zijn best gunstig, zegt Richard Reis, Benelux-specialist bij de Europese private equity-onderneming Argos Fund. Hij noemt vier redenen voor zijn gematigde optimisme.
Ten eerste is er meer vertrouwen dat transacties gefinancierd kunnen worden, dankzij stabiele rentevoeten in de eurozone en aantrekkelijke private credit-oplossingen. Direct lenders zijn snel en betrouwbaar. Met een beheerd vermogen van circa 2,4 biljoen dollar zijn de grenzen tussen banken en private kredietverstrekkers vervaagd. Sterker nog, banken verschaffen zelf steeds vaker kapitaal aan private credit-fondsen, meldt EY in het rapport Private equity trends 2026: leading through change.
In de tweede plaats lijkt de ‘valuation gap’ te zijn geslonken. Verkoper en koper lagen na de coronacrisis vaak ver uit elkaar in hun prijsverwachtingen: verkopers hielden vast aan de record multiples uit 2021, terwijl kopers door de gestegen rente minder konden lenen en lagere prijzen boden. Maar verkopers zijn gaandeweg realistischer geworden en hebben hun verwachtingen teruggeschroefd, zo blijkt ook uit de zogeheten Argos Index, een benchmark van Argos voor waarderingen van niet-beursgenoteerde middelgrote bedrijven in de eurozone.
De gemiddelde multiple in de mid-market daalde in het vierde kwartaal van 2025 naar 8,3 keer de EBITDA, het laagste niveau sinds 2014 en een daling van 4,6 procent ten opzichte van het voorgaande kwartaal. In het upper mid-marketsegment zijn de multiples met 22 procent gedaald. Meer dan een kwart van de transacties (27 procent) werd afgerond tegen minder dan zeven keer EBITDA. De piekprijzen van 11,6 keer EBITDA in 2021 behoren inmiddels tot het verleden. Lagere waarden maken het voor kopers makkelijker deals rond te rekenen.
En dat – in de derde plaats – doen ze: de kooplust lijkt toe te nemen. In de tweede helft van 2025 steeg het transactievolume in het buy-out mid-marketsegment in de tweede helft van 2025 in Europa met 30 procent ten opzichte van de eerste helft. Een teken dat verder herstel in 2026 binnen bereik ligt. Goed nieuws voor verkopers, dus, zij het dat er ook verkopers tussen zitten die met verlies zullen moeten verkopen, zegt Van Ingen: “Wie in 2019 of 2020 veel heeft betaald en nu moet verkopen terwijl de groeiverwachtingen van destijds niet zijn uitgekomen? Grote kans dat die nu pijn lijdt.”
Continuation funds als volwaardig instrument

Daan Dinkla, Main Capital Partners
De vierde factor is de opkomst van alternatieve liquiditeitsroutes, met name continuation funds. Die worden nog wel eens gezien als een zwaktebod: Maar dat is niet terecht, zegt Daan Dinkla, Market Intelligence specialist bij Main Capital Partners. Het idee dat continuation funds een laatste toevlucht zouden zijn voor investeerders die geen exit kunnen maken via een verkoop of een beursgang klopt niet: “Wij brengen ook regelmatig bedrijven onder in een continuation fund. We doen dat om extra kapitaal op te halen voor verdere groei van de onderneming. Niet omdat we van de onderneming af willen.”
Zo bracht Main vorig jaar HealthTech-bedrijf SDB, aanbieder van overheidssoftware MACH en Björn Lundén (financieel-administratieve software) onder in een continuation fund.
Ook Van der Maarel ziet continuation funds als ‘een volwaardig instrument in een volwassener wordende private-equitymarkt’. En: “Als het fonds een goede governance heeft, de prijs getoetst is aan de markt en er een onafhankelijk investmentboard is, dan is het continuation fund ‘here to stay’.”
Vooral de zogeheten GP-led continuation funds lijken kansrijk, denkt Reis. De werking is eenvoudig: een fondsbeheerder brengt een of meer succesvolle bedrijven uit een bestaand, ouder fonds onder in een nieuw vehikel. Bestaande investeerders krijgen de keuze om uit te stappen en hun winst te verzilveren, of mee te gaan en te blijven profiteren van verdere waardecreatie. De portfoliobedrijven houden een bekende eigenaar en krijgen vaak toegang tot vers groeikapitaal.
“Het is een instrument voor LP’s die liquiditeit willen, terwijl de GP aan boord kan blijven bij een bedrijf wat de GP al goed kent om de LP zo te laten profiteren van verdere waardecreatie”, aldus Van der Maarel.
Invloed van oorlogsgeweld en geopolitieke spanningen
Al met al verwacht Reis niet dat alle portfoliobedrijven die nog verkocht moeten dit jaar nog van eigenaar zullen wisselen. Maar hij durft de stelling wel aan dat dealactiviteit in de tweede helft van 2026 merkbaar hoger zal liggen dan in het eerste kwartaal.
Of liever gezegd: hij durfde die stelling aan. Dit gematigde optimisme uit half maart kan nog makkelijk verdampen onder invloed van het oorlogsgeweld in het Midden-Oosten en – meer in het algemeen – geopolitieke spanningen, zeker de spanningen die uitmonden in een verdere verwijdering tussen de VS en Europa. Voor de ’trophy assets’ – bedrijven met sterke marges, voorspelbare kasstromen en een geloofwaardige positionering ten aanzien van ontwikkelingen zoals de opkomst van AI – verandert er weinig.
Van der Maarel illustreert dit met een recente transactie uit Karmijns eigen portefeuille. “Evidente goede assets verkopen gewoon. Zoals onze recente verkoop van Aquilum, een arbodienstverlener in bedrijfsgezondheid en duurzame inzetbaarheid, die sterk is gegroeid via buy-and-build in een robuuste onderliggende markt. Thema’s als verzuimbegeleiding, re-integratie, preventie en vitaliteit, die trekken kopers aan.”

Iris Hesselink, Pontex Investment Partners
Zij krijgt bijval van Iris Hesselink, partner bij Pontex Investment Partners: “In deze onrustige tijden zijn strategische fit en substantiële synergiën de beste garanties om iedereen binnen boord te houden – zoals bij de recente overname van Pontex’ portfoliobedrijf Finco door Glencore.”
Alleen leidt de oorlog in het Midden-Oosten sinds medio maart al tot stijgende energieprijzen. En zoals Van Ingen zegt: “Bedrijven die hun energiekosten niet direct kunnen doorberekenen aan klanten, zien hun marges verdampen. Als hun afzet ook nog geraakt wordt, hebben ze een dubbel probleem.” En een bedrijf met krimpende marges is vaak lastig te verkopen. Al helemaal tegen een hoofdprijs.
Kansen in verwijdering VS – Europa
Hoe geopolitieke spanningen zullen uitpakken is minder duidelijk. Neem de verdere verwijdering tussen de VS en Europa. Is dat goed voor PE-bedrijven die willen verkopen of juist niet? Dinkla denkt van wel, althans voor zover het de softwaremarkt betreft. Uit de Whitepaper: European Mid-Market Software van Main Capital blijkt dat Europese bedrijven kunnen profiteren van geopolitieke spanningen.
Europese softwarebedrijven zijn momenteel ondergekapitaliseerd en worden tegen lagere multiples verhandeld dan hun Amerikaanse tegenhangers – een discrepantie die voor Amerikaanse partijen kansen biedt. Zij zoeken in Europa naar bedrijven die de Europese operationele discipline en een sterke marktpositie combineren met het potentieel om verder op te schalen in de Amerikaanse markt. Dinkla stelt dat een Amerikaanse aanwezigheid voor een Europees bedrijf als een ‘kwaliteitsstempel’ werkt, wat de interesse van Amerikaanse kopers verder aanwakkert.
Tegelijkertijd is er in Europa een roep om digitale soevereiniteit. Overheden en vitale sectoren als de zorg zijn steeds huiveriger om al te afhankelijk te zijn van niet-Europese leveranciers. Deze neiging om de Europese markt te beschermen kan de positie van Europese ‘lokale kampioenen’ wellicht versterken. En de interesse van Europese investeerders stimuleren. Met andere woorden: de verdere verwijdering tussen de VS en Europa zou wel eens een prijsopdrijvend effect kunnen hebben, gezien de interesse van zowel Amerikaanse als Europese investeerders.
Deze visie wordt niet door iedereen gedeeld. “Er is regelmatig interesse voor onze bedrijven vanuit beursgenoteerde, Amerikaanse partijen”, zegt Hesselink. “Maar als er in de VS politiek of economisch iets aan de hand is, leidt dat af van plannen om in Europa via overnames uit te breiden. Dan staan wij hier klaar met ons mooie bedrijf terwijl de beoogde koper zijn handen vol heeft aan de thuismarkt.”
Ook Van Ingen is sceptisch, vooral over het prijsopdrijvende effect van Europees protectionisme. “Dat kan ertoe leiden dat kopers uit de VS worden geweerd. Misschien dat het bedrijf dan toch wordt verkocht, zij het dan aan een Europese koper. Maar dan wellicht tegen een lagere prijs dan wanneer er ook Amerikaanse gegadigden zijn.”
Kortom: 2026 wordt waarschijnlijk toch niet het gedroomde exitjaar, besluit Van Ingen. “Maar ik heb goede hoop voor 2027.”
Bronnen
Argos Fund, Argos Index
Dealsuite, European Private Equity Monitor 2026
EY, Private equity trends 2026: leading through change
Main Capital, Whitepaper: European Mid-Market Software
MSCI, Private Capital in Focus: Trends to Watch for 2026
PwC, Global M&A industry trends: 2026 outlook
Roland Berger, European Private Equity Outlook 2026
LEES OOK: Secondaries: Kansen te midden van private equity overallocatie en laag exitvolume


